Burgemeester Frederik Zevenbergen sprak bij de Geuzengraven

Op vrijdag 13 maart 2026 hield burgemeester Frederik Zevenbergen een toespraak bij het herdenken bij de Geuzengraven op begraafplaats Emaus. Lees de toespraak hieronder.

Beste dames en heren, jongens en meisjes, familieleden van Geuzen, dear mayor Karácsony,

In de afgelopen periode kon en wilde ik als kersverse burgemeester niet om de Geuzen heen. De terechte trots op deze verzetsstrijders bij stadsgenoten en regiogenoten is indrukwekkend. Hun verhaal leeft.

Afgelopen zaterdag liep ik een stuk van de Geuzenmars mee. In de geest van de Geuzen wandelde een groep mensen van de Waalsdorpervlakte via het Oranjehotel naar het Geuzenmonument.

En nu staan we hier, bij de graven van de Geuzen die op 13 maart 1941 zijn gefusilleerd.

Op deze ochtend, precies 85 jaar geleden, zitten deze mannen in hun cellen in Scheveningen. Sommigen hebben nog hoop, ook al zijn ze ruim een week eerder ter dood veroordeeld door de Duitse bezetter. Er zijn gratieverzoeken ingediend. Familieleden kwamen nog langs.

‘Breng volgende keer de kinderen mee’, vraagt een van hen.

Een ander vraagt om nieuwe schoenen, een nieuw pak, want alles is zo versleten.

Maar rond het middaguur vervliegt de hoop. Dan worden de achttien ter dood veroordeelde Geuzen uit hun cellen gehaald. Vijftien horen dat hun doodvonnis die middag om vijf uur wordt voltrokken. Drie van hen, de jongsten, krijgen gratie en levenslange tuchthuisstraf — wat later een helse tocht langs concentratiekampen blijkt.

In de laatste uren schrijven de mannen afscheidsbrieven. Er worden sigaretten gedeeld. Familieleden die eerder niet bereikt konden worden, komen alsnog langs. Vriendschap, medemenselijkheid en waardigheid overheersen. En onverzettelijkheid.

Bernard IJzerdraat trekt een pyjamajasje aan dat met een beetje goede wil oranje genoemd kan worden. Tegen de 18-jarige Bill Minco, die gratie krijgt, zegt hij:

‘Neem wraak voor ons.’

De Geuzen stellen een makker gerust die hen in doodsangst heeft verraden. Ze vergeven hem. Ze willen niet met haat in hun hart sterven.

Wanneer de Duitse commando’s dichterbij komen, weten ze dat het moment daar is. Eén van de mannen zet het Wilhelmus in. Anderen vallen in.

Als ze hun cellen verlaten, loopt IJzerdraat voorop, in zijn oranje jas.

Achterblijvende gevangenen roepen: ‘Hou je goed’, ‘Sterkte’, ‘Tot ziens’.

En terwijl ze naar buiten lopen, zingen ze. Steeds krachtiger klinkt het psalmvers:

Nu ga ik op tot Gods altaren.

Niet veel later, op de Waalsdorpervlakte, worden ze uit vrachtwagens gehaald, samen met drie Februaristakers.

Kort daarna klinken de geweersalvo’s.

Hun leven wordt abrupt en wreed beëindigd.

Wat deze mannen nooit hebben geweten, is wat hun dood teweegbracht. Het bericht over hun fusillade schokte Nederland diep. De dichter Jan Campert schreef er ‘Het lied der achttien dooden’ over.

En toen de Duitsers de lichamen eerloos achterlieten, nam een Katwijkse helmplanter een groot risico. Als duinbeheerder mocht hij het Sperrgebiet in. Hij plantte helmgras op de plek waar de mannen lagen, zodat zij na de oorlog teruggevonden en herbegraven konden worden.

Het Geuzenverzet wakkerde het vuur van het verzet in Nederland aan.

We kennen het verhaal van Bernard IJzerdraat, de Schiedamse onderwijzer die al op 15 mei 1940, een dag na het bombardement, zijn eerste Geuzenbericht schreef. Hij riep Nederlanders op een Geuzenleger te vormen en zich te verzetten.

IJzerdraat had bij de Duitse grens gewoond. Hij wist al vroeg waar het nazisme toe in staat was: onverdraagzaamheid, discriminatie en de zondebokpolitiek die Joden overal de schuld gaf.

En we kennen het verhaal van de mannen van wandelsportvereniging Flardinga uit Vlaardingen. Zij gingen op 14 mei 1940 naar het gebombardeerde Rotterdam om te helpen. Toen ze hoorden dat Nederland zich had overgegeven, voelden ze meteen: we moeten iets doen.

Via Arij Kop en zijn kameraden, hier in Vlaardingen, kon het Geuzenverzet zich gaan organiseren. Ze verzamelden inlichtingen, maakten plattegronden, pleegden sabotage. Het netwerk groeide — niet alleen in Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Rotterdam, maar in tientallen plaatsen.

Het is bewonderenswaardig dat de Geuzen die de oorlog overleefden het verhaal levend hebben gehouden. Ter ere van hun omgekomen kameraden en omdat hun eigen oorlogservaringen hen hun leven lang hebben getekend.

Dat is ook waarom we dit jaar voor de 40ste keer de Geuzenpenning uitreiken. Aan iemand die, net als de Geuzen toen, zijn rug recht houdt voor vrijheid, mensenrechten en democratie: de burgemeester van Boedapest, Gergely Karácsony.

Beste mensen,

Straks opent burgemeester Karácsony het Minimuseum De Geuzen in ons historische stadhuis. Daarmee zetten we opnieuw een stap in het blijven vertellen van hun verhaal.

Want dat verhaal moet verteld blijven.

De Geuzen waren kanaries in de kolenmijn. Gewone mannen die instinctief reageerden op onrecht.

Dankzij hun moed leven wij vandaag in een vrij land. In een land waar niet één denkrichting wordt opgelegd en waar mensen vrij zijn in hun geloof en in wie zij liefhebben.

Maar we weten ook dat haat en onverdraagzaamheid van een kleine groep de gedachten van velen kunnen vergiftigen. Daarom moeten we waakzaam blijven.

Nu we wereldwijd opnieuw een toename zien van autocratisch leiderschap, oorlogen en oorlogsdreiging, eindig ik met een vraag die ieder van ons zich in stilte kan stellen:

Wie zou vandaag een nieuwe Geus kunnen zijn?

Ik dank u voor uw aandacht.